Politieke blunder: belanghebbende toezichthouder

Hoe je het wendt of keert, het voornaamste nieuwsfeit van de afgelopen twee weken is niet de gemeenteraadsverkiezingen en de volstrekt ongewenste (maar niet te vermijden) inbreng van de landelijke politici daarin. Het is de rapportage van onze belangrijkste toezichthouders van de financiële wereld, de DNB en de AFM, over de verantwoordelijkheden van Gerrit Zalm bij het DSB-debâcle. Die rapportages hadden onafhankelijke en niet te bestrijden conclusies moeten bevatten, maar door een knullige regie en uitvoering werd juist het tegendeel bereikt. Dat vervolgens de beoordelingen van de beide instanties uiteen lopen, maakt de situatie erg complex.

img-040310-262.onlineBildOp zich hoeft het niet problematisch te zijn dat twee toezichthouders met een verschillend oordeel komen; zij kijken immers met een andere bril naar dezelfde kwestie en kunnen op grond daarvan tot een ander oordeel komen. Dat de nu demissionaire minister De Jager vervolgens door de onafhankelijke staatsrechtgeleerde Michiel Scheltema de beide toetsingsrapporten laat beoordelen is nog tot daaraan toe, maar dat hij vervolgens zonder voorbehoud het rapport van de DNB onderschrijft en dat van de AFM als niet ter zake van tafel veegt, is ongekend. Hij vindt dat Zalm heeft gedaan wat hij kon, maar dat hij in de structuur van DSB tegenover Scheringa niet meer kon bereiken. Dat dit klinkt als een brevet van onvermogen, zal wel niet in de bedoeling gelegen hebben.

De AFM zegt dat Zalm ‘ onvoldoende oog [had] voor het risico van reputatieschade en claims als gevolg van de verkoopmethoden van DSB; hij heeft zich persoonlijk onvoldoende op de hoogte gesteld van de werkelijke kwaliteit van de dienstverlening; heeft in onvoldoende mate tijdig en concrete stappen gezet een levensvatbaar businessmodel te ontwikkelen dat de continuïteit van de vennootschap kon waarborgen; dit was gezien de ernst van de situatie noodzakelijk, en heeft onvoldoende tegenwicht geboden tegen de sterk commercieel ingestelde en op deelbelangen gerichte leden van de raad van bestuur’. De AFM vindt dat Zalm veel meer had moeten confronteren. Scheltema nuanceert dat ‘Zalm geen confrontatie met Scheringa kon aangaan gezien dienst absoluut machtige positie … Blijkbaar heeft de heer Zalm het op een andere manier aangepakt en getracht door overtuiging, de inzet van zijn gezag en de opbouw en versterking van de nodige expertise in de organisatie de koers te wijzigen. Nu hij daarmee in ieder geval duidelijke verbeteringen op tal van fronten heeft bereikt, vergt de stelling dat een andere, meer confronterende koers beter was geweest wel een deugdelijke onderbouwing. Die onderbouwing is in de aanbeveling van de AFM onvoldoende aan te treffen’. Die ‘duidelijke verbeteringen’ worden niet gespecificeerd en dat is kwalijk.

Scheltema noemt de AFM een jonge agressieve toezichthouder; DNB zou meer overredingskracht hebben. De AFM wijst er echter terecht op dat DNB zelf Zalm gewaarschuwd heeft voor het incassobeleid van de DSB, vóórdat hij in dienst trad. Dat advies heeft Zalm grotendeels genegeerd. Zalm bleek een voorstander van het incassobeleid, wat goed was voor de winstgevendheid. Dat daarbij mensen in financiële problemen met looncessies te maken kregen, telde blijkbaar niet. Uiteraard zijn looncessies een wettig middel; ze toepassen in probleemsituaties is echter niet als fatsoenlijk te omschrijven. Dat de AFM Zalm mede daarom kritisch beoordeelt is niet helemaal ten onrechte.

De vergelijking van de rapporten van de toezichthouders is als het vergelijken van appels en peren. Scheltema kijkt in principe niet inhoudelijk, alleen procedureel, naar het uitgevoerde onderzoek. Hij doet echter wel inhoudelijke uitspraken, waarin de kwaliteit van het rapport van de AFM in twijfel wordt getrokken. Daar zit een belangrijk probleem. Want blijkbaar kan de AFM geen goede beoordeling uitvoeren en die constatering is het begin van het einde. Een jonge hond, maar kwalitatief onder de maat ! Dat is eigenlijk de conclusie van Scheltema. Daarmee wordt het gezag van de AFM ondermijnt en het zal niet eenvoudig zijn om dat in de ogen van het publiek terug te krijgen.

De belangrijkste weeffout echter in het gehele onderzoek naar Zalm is dat de DNB een onderzoek instelt naar de bankier. Want hoewel dat wettelijk een taak is van de DNB, had ze hiervan verre moeten blijven ! De DNB was als verantwoordelijk toezichthouder te nauw betrokken bij de problematiek. Als de DNB Zalm onderuit zou hebben gehaald, zou het tevens een negatief oordeel hebben uitgesproken over de eigen handelwijze in zowel de benoeming van Zalm bij DSB als die bij ABNAmro. Het is een politieke blunder van jewelste om een belanghebbende toezichthouder een onderzoek te laten instellen, dat te nauw is gelieerd aan eigen activiteiten en handelingen. Het gaat tevens in tegen alle toetsingsmethodiek en -ethiek.

Het was politiek gezien veel verstandiger geweest als één onafhankelijke commissie was ingeschakeld of één (niet belanghebbende) toezichthouder was ingezet. In het publieke domein hangt nu een sfeer van ‘iemand de hand boven het hoofd houden’. Want vooral in deze bankencrisis had vooral de integriteit van Zalm boven twijfel verheven moeten zijn. Dat is het nu niet en dat stemt treurig. Opstappen is nooit leuk, economisch misschien ook niet handig voor de bank, maar voor het herstel van publiek vertrouwen in banken en bankiers was het wellicht wel erg handig geweest.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.