De ‘way of life’ van de cultuursector loopt ten einde

De bezuinigingen op kunst en cultuur gaan heel diep, zijn (wellicht) onevenredig hoog, zullen het einde betekenen van gezelschappen en worden uitgevoerd zonder een greintje visie op de toekomst. Vooral dat laatste raakt me, zoals dat me raakt bij alle bezuinigingsvoorstellen die het kabinet Rutte wil doorvoeren. Het is visieloos ‘schaven’, zonder een zinnig idee over hoe dit kabinet maatschappij en overheid over pakweg tien jaar ziet. Dat was overigens niet anders geweest met een anders samengesteld kabinet. Politici en politieke partijen hebben geen praktisch geformuleerde lange termijn visies, die als leidraad dienen voor ingrepen in de maatschappelijke (financiële) huishouding. Dat soort visies kan leiden tot fundamentele keuzes, waarover te discussiëren valt. ‘Schaven’ levert alleen geld op, maar schuift fundamentele keuzes door naar een later moment. Iets waar de Nederlandse bestuurders heel goed in zijn.

Zeker is dat de ‘way of life’, de gangbare wijze waarop van dag tot dag in de gesubsidieerde (en misschien ook wel, zij het in mindere mate, in de private) cultuursector wordt gewerkt en wordt omgegaan met geld, ten einde loopt. Tot 2015 wordt op cultuursubsidies 200 miljoen euro bezuinigd. Daar komt nog een aantal maatregelen bovenop, zoals een verplaatsing van de podiumkunsten en de kunstaankopen naar het hoge BTW-tarief van 19 %, het afschaffen van het CJP, het afschaffen van het belastingvoordeel op cultureel beleggen en het afschaffen van de kunstenaarsbijstand WWIK. Dat tikt aan.

Dat heeft voor een deel te maken met de economische crisis. Geld kan immers maar één keer worden uitgegeven. Schulden leggen een zware last op onze en de na ons komende generatie(s). Die schulden moeten worden teruggebracht en daarvoor is snoeien in de uitgaven noodzakelijk om de overblijvende, resterende inkomsten te kunnen besteden aan aflossing van de staatsschuld. Maar de crisis alleen is niet de enige oorzaak van de grote ingreep in de kosten van kunst en cultuur.

Sinds iets langer dan een decennium heeft het populisme stevige grond onder de voeten gekregen in de Nederlandse samenleving. Paul Taggart noemt drie kenmerken van het populisme. Het populisme zet zich af tegen de representatieve politiek; het heeft een afkeer van gevestigde partijen en gevestigde politieke agenda’s en gebruiken. Ten tweede maakt populisme gebruik van wat Taggart de heartland noemt: een fictief gebied, bewoond door ‘het volk’, een homogene groep mensen die hard werken, oprecht en moralistisch zijn, en die lijden onder het leiderschap van de ‘elite’. Tot slot is populisme een ideologie zonder kernwaarden, die qua stijl en retoriek overal binnen het politieke landschap kan worden ingezet, van links tot rechts. Dit is een redelijk adequate beschrijving van het Nederlandse politieke speelveld van de afgelopen jaren.

Het populisme zet zich altijd af tegen werkelijke of fictieve ‘elites’, die in het populistische beeld altijd specifieke kenmerken hebben, namelijk: een hoge mate van politieke invloed, lid van machtige klieken, een hoge mate van academische kwalificatie, een hoge mate van intelligentie, een hoge mate van beroepsmatige ervaring en het houden van bepaalde esthetische waarde-oordelen, die niet overeenkomen met die van ‘het volk’. In de Nederlandse situatie worden die kenmerken met name toegekend aan de ‘grachtengordel’-partijen, zoals de PvdA, Groen Links en (in mindere mate) D’66. In de populistische termen van nu: ‘links’. En in het populistische denken is kunst en cultuur een elitaire icoon, in dit geval dus een ‘linkse hobby’. Het opmerkelijke daarvan is dat een deel van degenen die zich tot het populisme (zoals van SP en PVV) aangetrokken voelen uit groepen komen die vanouds een nauwe band hadden met de PvdA.

Vele (vooral gesubsidieerde) kunst en cultuuruitingen worden door het ‘grote publiek’ geassocieerd met iets dat elites interesseert. Dat dat in werkelijkheid in veel gevallen (denk aan bibliotheken, muziekscholen, etc.) niet zo is (of hoeft te zijn) doet aan die associatie niets af. Kunst en cultuur moeten het al jaren doen met een ‘elitair’ imago. Vertegenwoordigers uit die wereld hebben met hun vaak denigrerende en arrogante meningen over het opkomende populisme en hun nauwe band met de bestaande elites olie op het vuur gegooid. De onbegrijpelijke experimenten die vanaf het midden van de jaren ’80 in de kunstensector plaatsvonden (overigens een periode waarin Nederland kabinetten kende onder leiding van Van Agt en Lubbers en ‘links’ er niet aan te pas kwam !) versterkten het elitaire imago van vele kunst- en cultuuruitingen. Het beruchte toneelstuk ‘Going to the dogs’ van Wim T. Schippers is een sprekend voorbeeld van die experimentele benadering: een toneelstuk dat werd gespeeld door herdershonden, die na een paar minuten uit hun rol vielen. Onbegrijpelijk voor het ‘grote publiek’, maar (blijkbaar ? schijnbaar ?) aantrekkelijk genoeg voor een kleine culturele elite om een subsidie van (toen) 65.000 gulden te rechtvaardigen. De kunst- en cultuursector zwolg in de aandacht van die ‘elite’ en wantrouwde het ‘grote publiek’, dat echter via subsidies wel mocht meebetalen.

Kunstenaars, culturele organisaties en andere culturele actievelingen zijn subsidies als een recht gaan beschouwen, waarbij de overheid gezien werd als een vanzelfsprekende financier van de meest individuele expressie. Het Internationale Danstheater bijvoorbeeld heeft jarenlang op te grote voet geleefd in de misplaatste veronderstelling dat de overheid het tekort wel zou ophoesten. Nu dat niet gebeurt, is er verontwaardiging over het feit dat het ‘grote belang’ van het theater niet wordt erkend. De vanzelfsprekendheid van die subsidieverwachting bij een groot deel van de kunst- en cultuursector heeft mede de kloof doen ontstaan tussen geavanceerde kunstuitingen en brede delen van de samenleving. De kunst- en cultuursector is de band met het ‘grote publiek’ kwijtgeraakt. De sector is veel te veel in zichzelf gekeerd. Het succes van het populistische denken steunt hier sterk op.

De discussies in adviesorganen (met name in de Raad voor Cultuur) gaan steeds vaker over ondernemerschap, waarbij vooral publieksbereik een rol speelt. Artistieke kwaliteit is nog het belangrijkste criterium in de beoordeling, maar ondernemerschap telt steeds meer mee. Sinds de periode Van der Ploeg maakt ondernemerschap deel uit van het cultuurbeleid. Tot nu wordt er bij de subsidietoewijzingen niet op beoordeeld, maar culturele instellingen en kunstenaars worden er bij de huidige bezuinigingen wel op afgerekend. De sector moet het zichzelf verwijten dat ze het zakelijk en artistiek ondernemerschap veel te weinig heeft ontwikkeld. Waarbij ik wel onmiddellijk de opmerking maak, dat het niet zo simpel is als het lijkt en niet voor iedere kunstenaar of culturele instelling is weggelegd. Zo krijgt een kunstenaar als ondernemer bijvoorbeeld geen zakelijke lening bij de bank. Subsidies zouden als vervanger kunnen dienst doen.

Het is vreemd dat uitgerekend de culturele sector, met een erg ingewikkelde economische werking, de economische functie als argument gebruikt. Daar zit een groot gevaar in, omdat dat belang als een boemerang kan terugkaatsen. In dit geval gebeurt dat ook, omdat het economische belang te weerleggen valt. De economische eendimensionale benadering, alles herleiden tot geld, is niet echt toepasbaar op cultuur. Alle gebruikte argumenten zijn (hoe waar ook) eigenlijk gelegenheidsargumenten, omdat de sector blijkbaar nog steeds niet voldoende ‘taal’ heeft gevonden om haar belang maatschappelijk en politiek aan te tonen. De argumentatie achter de waarde van kunst en cultuur en het waarom van de subsidiëring is niet overtuigend. Het wollige taalgebruik – waarvan zowel instellingen als politieke partijen zich bedienen – is een slechte verdediging voor het bestaansrecht van kunst en cultuur. In het populistische denken is juist het ‘wollige taalgebruik’ een eigenschap die aan ‘elites’ is toe te schrijven.

De grote ophef over de bezuinigingen nu is vooral ‘mosterd na de maaltijd’. Let wel, het is belangrijk dat het gebeurt, maar het komt te laat en zal slechts marginaal effect hebben. Het ‘grote publiek’ komt niet in opstand, zelfs niet tegen de kortingen op bibliotheken, waar het ‘zoveel’ gebruik van maakt. Wethouders van Cultuur schreeuwen over de ‘kaalslag in de cultuur’, maar dat verhult slechts het afschuiven van eigen bezuinigingen op de culturele sector naar het rijk. En dat terwijl volgens de VNG de cultuurbezuinigingen van het rijk de gemeenten niet direct raken ! Uiteraard moeten kunstenaars en culturele instellingen protesteren, maar het dient ook te leiden tot meer bescheidenheid, tot meer reflectie en – vooral – tot betere communicatie naar het ‘grote publiek’.

Want als de sector zo belangrijk is als ze zegt te zijn, dan moet ze dat ook duidelijk kunnen maken. Daaraan heeft het tot nu toe ontbroken. Ze heeft daarmee de deur wagenwijd opengezet voor populistische (en minder populistische) kritiek. Het jammere nu is dat die instellingen die wel hun best hebben gedaan het ‘grote publiek’ te bereiken, die wel duidelijk kunnen maken wat het belang is van wat ze doen (denk: bibliotheken en archieven), nu het slachtoffer worden van een radicale, zonder visie uitgevoerde bezuinigingsoperatie van rijk en gemeenten, met dank aan al die gesubsidieerde instellingen, die dat allemaal niet (of te weinig) hebben gedaan. Wat vooral moet gebeuren is dat de culturele sector het populistische denken erkent als een factor van belang en daarop met alle kracht en macht inspeelt. Want als dat niet gebeurt, dan is dit slechts het begin van nog veel meer ‘niet veel goeds’…..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.