21 okt, 2010 - Boeken, Internet    Geen reacties

‘Is Internet changing our brains ?’

In mijn vorige post besprak ik kort een boek van Nicholas Carr, te weten The Big Switch, dat enthousiasmerende, maar ook wat vreemde boek over de ontwikkeling van de licentiegerichte IT naar een dienstverlenende IT. Naar de aanbieding van diensten als ‘utilities’, die dankzij de ‘World Wide Computer’ op ‘kostenvriendelijke’ manier aan consumenten worden aangeboden. Een boek over ‘cloud computing’, dat door Carr echter niet als zodanig is bedoeld. In deze post wil ik wat verder ingaan op een ander provocatief, interessant en enthousiasmerend boek van Carr, namelijk The Shallows. What the Internet is doing to our Brains (New York, Londen 2010). Ofwel: worden we dom door het gebruik van Internet ? Veranderen onze hersens dusdanig dat ze oude, vertrouwde taken niet goed meer kunnen uitvoeren ?

Carr’s boek begint melodramatisch met de smeekbeden van de supercomputer HAL in 2001: A Space Odyssey. De machine wordt buiten werking gesteld en zijn draden losgetrokken. ‘My mind is going’, zo zegt HAL. ‘I can feel it’. Carr vindt dit een heel toepasselijke analogie: het menselijke brein lijkt op deze fictieve computer. ‘I can feel it too’, zo schrijft hij. ‘Over the last few years, I’ve had an uncomfortable sense that someone, or something, has been tinkering with my brain, remapping the neural circuitry, reprogramming the memory’ (blz. 5). Carr stelt dat we onszelf saboteren, door de onze mogelijkheden voor langdurige aandacht in te wisselen voor de dynamische oppervlakkigheid van het Internet. Zoals Carr voor het eerst waarnam in zijn zeer bediscussieerd artikel in The Atlantic, ‘Is Google Making Us Stupid ?‘, het participeren in de online wereld heeft het (in ieder geval voor hem) steeds moeilijker gemaakt om zich bezig te houden met moeilijke teksten en complexe ideeën. ‘Once I was a scuba diver in a sea of words’, zo schrijft hij in zijn zeer verzorgde, welsprekende stijl. ‘Now I zip along the surface like a guy on a Jet Ski’ (blz. 7). Carr beklaagt zich over zijn afnemende concentratievermogen, maar is eerlijk genoeg om het nut van het Internet te erkennen. Immers, het Internet voorziet ons van toegang tot een bijna oneindige hoeveelheid data. We worden beperkt tot een oneindige intellectuele oppervlakkigheid, zonder diepgang.

Carr stelt dat de negatieve bijverschijnselen van het Internet het nut ervan ‘im Frage’ stellen. De zoekmachine bijvoorbeeld heeft onze kennis alleen maar gefragmenteerd. ‘We don’t see the forest when we search the Web’, zo schrijft hij op blz. 91. ‘We don’t even see the trees. We see twigs and leaves’. Carr ondersteunt zijn verhaal met een enorme hoeveelheid literatuur, waaronder (op blz. 217-218) een studie van James Evans, een socioloog aan de University of Chicago, die constateerde dat de digitalisering van tijdschriften het dan wel veel eenvoudiger maakte om informatie te vinden, maar dat het tegelijkertijd leidde tot een beperking in de breedte van de citaties, waarbij dan ook nog vooral een focus op recente artikelen ontstond. Zoekmachines, zo concludeert Carr, leiden er dus toe dat ook wetenschappers alleen maar de populaire links volgen en dus uitkomen bij dezelfde artikelen, die door anderen ook gelezen worden. Alle andere waardevolle artikelen, die ouder zijn, niet zoveel geraadpleegd worden of niet zijn gedigitaliseerd, worden overgeslagen. Evans zelf, die sympathiek staat tegenover Carrs hypothese in het Atlantic-artikel, schrijft hierover het volgende: ‘Ironically, my research suggests that one of the chief values of print library research is its poor indexing. Poor indexing—indexing by titles and authors, primarily within journals—likely had the unintended consequence of actually helping the integration of science and scholarship. By drawing researchers into a wider array of articles, print browsing and perusal may have facilitated broader comparisons and scholarship’. Het heeft dus misschien niet zoveel met de hersenen te maken, als wel met het feit dat onderzoekers ‘luier’ worden en graag snel materiaal beschikbaar willen hebben om hun onderzoek vorm te geven. Het Internet heeft dus zeker effect op de manier waarop ‘intellectuele’ processen worden uitgevoerd.

Carr maakt zich hier zorgen om, maar zijn meest in het oog vallende grief heeft niets te maken met Google en de eindeloze wirwar aan hyperlinks. Hij is vooral bang dat computers en het Internet ons concentratievermogen vernietigen. De computer en Internet zijn immers vooral onderdeel van een ecosysteem, dat vooral bestaat uit voortdurend interrupperende technologie, waardoor we voortdurend ‘zappen’ van de ene site naar de andere en genoegen nemen met een blik, alleen maar om het voortdurende verlangen naar nieuwe informatie te bevredigen. Carr vermeldt talloze anekdotes die zijn standpunt ondersteunen (meestal voorzien van noten met wetenschappelijke literatuur); hij brengt ze in verband met de ‘plasticiteit’ van de menselijke hersenen, die voortdurend door de ervaringen die we opdoen wordt beïnvloed (blz. 39-57). Carr is vooral geïnteresseerd in de negatieve aspecten daarvan, namelijk dat onze ‘brain circuits’ worden geprogrammeerd door de gadgets die we gebruiken, waardoor we uiteindelijk niet meer in staat zijn om een moeilijk boek geconcentreerd te lezen.

Carr schrijft meeslepend, maar raakt toch in de problemen met zijn stelling. Carr vermeldt heel weinig onderzoek dat zijn conclusies weerspreekt, en dat is er in ruime mate. Zo is er veel onderzoek dat aantoont dat het Internet juist goed is voor onze hersenen. Videogames bijvoorbeeld leiden tot ‘significant improvements in performance on various cognitive tasks, from visual perception to sustained attention’. Hetzelfde geldt voor het surfen van het Web. Neurowetenschappers van de Universiteit van California hebben aangetoond (volgens Jonah Lehrer) dat ‘performing Google searches led to increased activity in the dorsolateral prefrontal cortex, at least when compared with reading a ‘book-like text’. Het interessante van deze onderzoeksresultaten is dat dit gedeelte van de hersenen precies die talenten biedt (zoals selectieve aandacht en analyse), waarvan Carr stelt dat ze verdwijnen in het Internettijdperk. De onderzoeksresultaten zijn niet eenduidig; het feit dat Carr literatuur die zijn theorie tegenspreekt niet of nauwelijks vermeld is een absoluut minpunt. Het lijkt wel zeker dat de opkomst van het Internet tot verlies zal leiden van belangrijke mentale talenten. Dat is het gevolg van iedere nieuwe technologie. Als kinderen leren lezen bijvoorbeeld wordt een groot deel van de visuele cortex van hun hersenen in beslag genomen, dat zich eerst richtte op het herkennen van objecten.

Dat Carr zijn these probeert te funderen met de resultaten van de neurowetenschap is dus slechts marginaal geslaagd. Veel sterker zijn zijn argumenten wanneer hij zich beperkt tot cultuurkritiek en ingaat op de verliezen die geleden worden met de acceptatie van nieuwe technologie. Veel onderzoek toont inderdaad aan dat veel Internetgebruik de interesse voor het lezen van boeken vermindert. Maar dat zou een minder interessant en spectaculair boek hebben opgeleverd. Want hoe het ook wordt gewend of gekeerd, Carr heeft een formidabel, provocatief, wetenschappelijk eenzijdig en zwak onderbouwd boek geschreven, dat door zijn prachtige schrijfstijl een genot is om te lezen. Ik heb het in een ruk uitgelezen, waarbij ik me onmiddellijk realiseer dat de gevolgen van jarenlang Internetgebruik bij mijzelf blijkbaar toch beperkt zijn gebleven…..

Wil je reageren ? Laat dan een reactie achter !