Drijfzand

Replicatie (of herhaalbaarheid) is een wetenschappelijk dogma. Het waarborgt de controleerbaarheid van onderzoek. Directe (of: zo exact mogelijke) replicatie is echter moeilijk.

In 2005 verscheen in PLOS Medicine ‘Why most research findings are false’, van de statisticus en epidemioloog John Ioannidis. Op basis van wiskundig en statistisch onderzoek stelde Ioannidis dat de conclusies in 80% van de medisch wetenschappelijke publicaties onhoudbaar zijn. Hij onderbouwde dat, ook in 2005, in een artikel in de Journal of the American Medical Association. Het bleek dat 41% van de 49 meest geciteerde onderzoeksconclusies vanaf 1990 onjuist of ernstig overdreven waren. Bayer en Amgen, twee van ‘s werelds grootste pharmaceuticals, rapporteerden in 2011 dat zij in hun eigen la­boratoria respectievelijk slechts 11% en 25% van eerder gepubliceerd onderzoek konden repliceren. In 2012 kon Amgen resultaten uit zes van de 54 ‘land­mark cancer papers’ re­pliceren. Het geeft aan dat Ioan­nidis’ conclusies dichter bij de waarheid zijn dan lange tijd werd gehoopt.

“Drijfzand” verder lezen

Informatiegedreven

In januari voerde de Technische Universiteit Twente een onderzoek uit naar de wijze waarop de Amsterdamse burgers het liefst zouden communiceren met hun gemeente. Uit dat onderzoek bleek dat (ook de Internet-vaardige) burgers gebruik wensen te maken van kanalen waar persoonlijk contact domineert. De balie wordt het meest genoemd als communicatiekanaal (36%), gevolgd door de website (28%) en de telefoon (26%). Mobiele communicatiekanalen worden vrijwel niet gebruikt. De onderzoekers constateren dat er geen enkele aanleiding is om aan te nemen dat burgers de komende jaren massaal op het digitale communicatiekanaal zullen overstappen.

De overheid wil graag digitale dienstverlening: het verbetert de relatie met de burgers en de efficiëntie voor beide partij­en verbetert aanzienlijk. Tenminste: dat denkt ‘men’. Digitale Overheid 2017 is geba­seerd op deze verwachting. Het Amsterdamse onderzoek is dan ook geen goed nieuws voor de ambiti­euze bedenksels van de instigator van dit mega-project, onze minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk.
 
“Informatiegedreven” verder lezen

Gleick’s ongelijk

In maart 2011 alweer verscheen James Gleick’s boek ‘The information. A history, a theory, a flood‘, uitgegeven bij Pantheon Books in New York. Nog datzelfde jaar verscheen er een Nederlandse vertaling van Ronald Jonkers bij De Bezige Bij in Amsterdam. Voor mijn verhaal baseer ik mij op de oorspronkelijke uitgave, omdat ik van mening ben dat geen enkele vertaling de oorspronkelijke zeggingskracht en sfeer kan weergeven.

InformationIk heb zelden een boek in handen gehad dat mij tegelijkertijd zoveel gevoel van bewondering als van irritatie heeft gegeven als dit boek. Dat is ook de reden dat ik er nu pas iets over zeg. Ik heb het boek verschillende keren aan de kant gegooid, maar ik kon het toch niet laten er later weer naar te grijpen. Het boek grijpt je, en dat is een groot compliment voor de schrijver. Gleick’s boek gaat over (bijna) alles: over woorden, sprekende ‘drums’, het schrift, lexicografie en vroege pogingen voor een analytische machine, over telegraaf, telefoon, ENIAC en de computers die daarop volgden, over theorieën van Babbage, Shannon, Wiener, Turing, Gödel en anderen, die zich concentreerden op het coderen, decoderen en recoderen van de boodschappen die via de media in hun tijd werden verspreid, over de genetica als een biologisch mechanisme voor informatieuitwisseling en zelf-replicerende ideeën als zichzelf ontwikkelende levensvormen van ‘The Information’, over muziek en quantummechanica, over de betekenis van ‘interesting numbers’ en waarom ‘the bit the ultimate unsplittable particle’ is. Het gaat over veel te veel en als gevolg daarvan verliest het boek, dat (maar dat is Gleick wel toevertrouwd) meesterlijk geschreven is, veel van zijn overtuigingskracht. Het is, in mijn optiek, ‘overdone’ en zelfs de eruditie die er uit spreekt wekt halverwege het boek al irritatie op. Het lijkt een ‘omgevallen boekenkast’, die de ‘rode draad’ van het boek (die er wel degelijk is) grotendeels teniet doet. De grote hoeveelheid lovende recensies van het boek ten spijt (ik vraag me in alle gemoede af of het boek door die recensenten wel serieus gelezen is !): als een student een scriptie met zo weinig focus en zoveel niet ter zake doende uitwijdingen had ingeleverd, was deze gegarandeerd retour gegaan.

“Gleick’s ongelijk” verder lezen

Het einde van de ideologie: politieke hypocrisie, leugens en opportunisme

De verkiezingstijd met zijn retorische opportunisme en leugenachtige hypocrisie is weer losgebarsten. In de laatste decennia voor 2000 was het al te merken dat de drie ideologieën (socialisme, liberalisme en christendemocratie) te maken kregen met krimpende macht, afkalvende kiezersgroepen en herinneringen aan betere tijden in het verleden. Alsof er echter niets veranderd is, wordt er nog steeds volgens die drie ideologieën gedacht, zeker in verkiezingstijd. Het ideologische conservatisme viert hoogtij, terwijl de werkelijkheid totaal anders is. Pragmatisme, opportunisme en politiek cynisme lijken ervoor in de plaats gekomen te zijn. Politieke zingevingsvragen raken ver verwijderd van de politieke praktijk. Het gaat er niet meer om of een verkiezingsprogramma een uiting is van die zingeving, maar of het de toets van de economische benadering van het CBS doorstaat !

Pragmatisme is de politieke deugd van vandaag de dag. Als wijdverbreide uitwas daarvan echter is opportunisme gemeengoed geworden. Lid worden van een politieke partij gebeurt niet meer uit principiële overwegingen, maar vanuit carrièreperspectieven. In 1996 al verklaarden jonge ambtenaren dat zij lid werden van de politieke partij die het meeste perspectief bood voor hun carrière. Parlementsleden zien hun functie als een stap in hun uiteindelijke carrière en niet meer als het sluitstuk daarvan. Dat geldt eveneens voor ministers en staatssecretarissen; het ‘maatschappelijke middenveld’ (waarover ik het in mijn vorige post heb gehad) ontvangt deze bestuurders en parlementariërs met open armen en beloont ze gul voor hun ‘contacten’, die lobbyen mogelijk maken. Politieke partijen lijken carrièrevehikels en verliezen hun rol als tussenschakel tussen politiek en burger, wat gepaard gaat aan een desastreus verlies in politiek vertrouwen, een toename van de onvrede en de opkomst van populistische stromingen op ‘links’ en ‘rechts’.

“Het einde van de ideologie: politieke hypocrisie, leugens en opportunisme” verder lezen

Het onverwachte als managementobject

Karl Weick is een van de grote denkers binnen de organisatietheorie. Hij is hoogleraar Organizational Behaviour and Psychology aan de Ross School of Business van de universiteit van Michigan. Mijn eerste kennismaking met het werk van Weick was The social psychology of organizing uit 1969, dat een van de meest gelezen en bepalende boeken van de organisatiepsychologie werd en dat verplichte kost is voor iedereen die werkt of wil werken aan de verbetering van organisaties. Dit boek legt de grondslag voor Weick’s denken, dat vervolgens in al zijn publicaties verder wordt uitgewerkt, verdiept, verduidelijkt en geoperationaliseerd. Eenmaal gegrepen door Weick en overtuigt door zijn (veelvuldig) provocatieve, maar in de praktijk van organisaties gewortelde opvattingen, heb ik al zijn publicaties verzameld, gelezen, herlezen en (zo goed en kwaad als ik dat kon) toegepast in mijn eigen onderzoek- en adviespraktijk.

Volgens Weick bestaat er geen objectief waarneembare werkelijkheid. Organiseren is een sociaal proces van beïnvloeden en beïnvloed worden. Tijdens dit proces scheppen mensen langzamerhand een werkelijkheid. Uit de oneindige hoeveelheid variaties die optreden door veranderingen in de omgeving worden sommige wel en sommige niet geselecteerd door de leden van organisaties. Dit proces wordt ‘enactment’ genoemd en heeft in de organisatiekundige literatuur een status van algemene geldigheid verworven. Weick omschrijft het als volgt: ‘Managers construct, rearrange, single out, and demolish many ‘objective’ features of their surroundings. When people act they unrandomize variables, insert vestiges of orderliness, and literally create their own constraints’ (Social Psychology of Organizing, p. 243). ‘Enactment’ leidt tot een verbondenheid van een individu of groep mensen met de omgeving, maar het bereiken van overeenstemming over de juiste interpretatie van de ‘enacted environment’ vergt grote sociale inspanning. De interpretatie die uiteindelijk wordt gebruikt leidt tot een selectie van een dergelijke ‘enacted environment’ en leidt tot een bepaalde, op die selectie afgestemde reactie, die vervolgens in het ‘geheugen van de organisatie’ wordt opgeslagen. Die organisaties, waarin de leden geen overeenstemming kunnen bereiken over de te gebruiken interpretatie van de omgeving, zijn ten dode opgeschreven.

“Het onverwachte als managementobject” verder lezen

De overleving van een hoax: het Borghilde Project

Enige tijd geleden kreeg ik een in oktober 2010 verschenen boek van Graeme Donald in handen, Mussolini’s Barber. And other Stories of the Unknown Players who made History Happen. Volgens de site van Osprey Publishing is Donald ‘researching the origins of words, nursery rhymes, superstitions and popular misconceptions’. Het zorgde voor een paar uurtjes vermakelijke lectuur, want heel erg serieus te nemen is het allemaal niet.

Een van de verhalen in het boek had Ruth en Elliot Handler als onderwerp, de uitvinders van de Barbie-pop. En, zo stelt Donald, ‘They created their iconic toy after visiting Germany in 1956 and buying the Bild Lilli doll—an adult novelty item sold in German barber shops and nightclubs’. Ruth Handler heeft altijd ontkend dat ze van het ‘adult’ karakter van ‘Bild Lilli’ op de hoogte was bij de introductie van de Barbie. In de Sun zei Donald: While I was researching this I came across references to Nazi sex dolls and found out that Hitler had ordered them to be made. … As ever, more troops were laid low by disease than by bullets. Syphilis was a problem Hitler was aware of and he was rumored to have suffered from it himself.” En: ‘In the end the idea fizzled out and the place where they were made and all the dolls were destroyed in the bombing of Dresden’. En zo komt Donald op het Borghilde Project….

Wat hield dit project in ? Volgens Donald liet Adolf Hitler opblaasbare sekspoppen vervaardigen voor zijn soldaten, vooral om het gevaar voor seksueel overdraagbare aandoeningen te beperken. Heinrich Himmler zou in 1940 geschreven hebben dat het grootste gevaar in Parijs de wijdverspreide en ongecontroleerde aanwezigheid van hoeren was. Volgens Himmler was het een oorlogsnoodzakelijkheid de soldaten te beletten hun gezondheid te riskeren met dergelijke contacten. Hitler keurde het project goed, en vervolgens werden Arische sekspoppen ontwikkeld, die klein genoeg waren om in een rugzak te passen. Ze werden uitgetest door soldaten in het bezette Jersey. In 1942 werd het project afgeblazen; Duitse militairen weigerden de opblaaspoppen nog langer mee te zeulen in hun bagage. Ze waren bang dat ze zouden worden uitgelachen door Britse soldaten als die hen gevangen zouden nemen.

“De overleving van een hoax: het Borghilde Project” verder lezen

Links en rechts zijn schuivende panelen

Wat ik de afgelopen maanden (eigenlijk al jaren) met verbazing aanschouw, is het ‘over en weer’ verketteren van ‘links’ en ‘rechts’, zonder enige nuance en met het volstrekt negeren van de subjectiviteit en contextualiteit van die begrippen. Alles wat als genuanceerd of intellectueel tegen de grootste schreeuwer ingaat, is ‘links’. Argumenteren hoeft dan niet meer. Anderzijds: ideeën die afwijken van de politieke conformiteit worden al snel als ‘rechts’ weggezet. Dat gebrek aan nuance, aan discussie, aan belangstelling voor andere visies en ideeën, mis ik. Het sluit aan bij tendensen in onze samenleving die ik al in eerdere posts hier heb beschreven. Het is wel begrijpelijk, want een politieke transformatie, zoals die zich nu aan het voordoen is, leidt altijd tot grote, onoverkomelijk lijkende tegenstellingen. Of die tegenstellingen op dezelfde wijze maatschappelijk kunnen worden ingekaderd als de ‘fluwelen revolutie’ van de jaren ’60, moet worden afgewacht. “Links en rechts zijn schuivende panelen” verder lezen

‘Is Internet changing our brains ?’

In mijn vorige post besprak ik kort een boek van Nicholas Carr, te weten The Big Switch, dat enthousiasmerende, maar ook wat vreemde boek over de ontwikkeling van de licentiegerichte IT naar een dienstverlenende IT. Naar de aanbieding van diensten als ‘utilities’, die dankzij de ‘World Wide Computer’ op ‘kostenvriendelijke’ manier aan consumenten worden aangeboden. Een boek over ‘cloud computing’, dat door Carr echter niet als zodanig is bedoeld. In deze post wil ik wat verder ingaan op een ander provocatief, interessant en enthousiasmerend boek van Carr, namelijk The Shallows. What the Internet is doing to our Brains (New York, Londen 2010). Ofwel: worden we dom door het gebruik van Internet ? Veranderen onze hersens dusdanig dat ze oude, vertrouwde taken niet goed meer kunnen uitvoeren ?

Carr’s boek begint melodramatisch met de smeekbeden van de supercomputer HAL in 2001: A Space Odyssey. De machine wordt buiten werking gesteld en zijn draden losgetrokken. ‘My mind is going’, zo zegt HAL. ‘I can feel it’. Carr vindt dit een heel toepasselijke analogie: het menselijke brein lijkt op deze fictieve computer. ‘I can feel it too’, zo schrijft hij. ‘Over the last few years, I’ve had an uncomfortable sense that someone, or something, has been tinkering with my brain, remapping the neural circuitry, reprogramming the memory’ (blz. 5). Carr stelt dat we onszelf saboteren, door de onze mogelijkheden voor langdurige aandacht in te wisselen voor de dynamische oppervlakkigheid van het Internet. Zoals Carr voor het eerst waarnam in zijn zeer bediscussieerd artikel in The Atlantic, ‘Is Google Making Us Stupid ?‘, het participeren in de online wereld heeft het (in ieder geval voor hem) steeds moeilijker gemaakt om zich bezig te houden met moeilijke teksten en complexe ideeën. ‘Once I was a scuba diver in a sea of words’, zo schrijft hij in zijn zeer verzorgde, welsprekende stijl. ‘Now I zip along the surface like a guy on a Jet Ski’ (blz. 7). Carr beklaagt zich over zijn afnemende concentratievermogen, maar is eerlijk genoeg om het nut van het Internet te erkennen. Immers, het Internet voorziet ons van toegang tot een bijna oneindige hoeveelheid data. We worden beperkt tot een oneindige intellectuele oppervlakkigheid, zonder diepgang.

“‘Is Internet changing our brains ?’” verder lezen

‘Cloud computing’ als realiteit en risico

Toen de redactie van het tijdschrift Informatieprofessional (IP) mij vroeg om voor het oktober­num­mer mijn licht eens te laten schijnen op de juridische implicaties van ‘cloud computing’ werd ik gestimuleerd om eer eens wat literatuuronderzoek en webresearch te doen. Wetende dat ‘cloud computing’ een enorme vlucht aan het nemen is, is het de moeite waard eens in beeld te bren­gen wat het begrip betekent en welke implicaties dat heeft voor de wereld om ons heen. We hebben immers de mond vol van ‘cloud computing’, van Web 2.0. en van het semantische web. Op het moment dat ik mijn manuscript bij de redactie had ingediend, besteedde De Financiële Tele­graaf kort aandacht aan het verschijnsel, en dan met name aan de risico’s die het met zich mee­brengt en de nieuwe regelgeving die nodig zou zijn. Of dat nodig is laat ik in het midden; zeker is, dat er (naast baten) veel risico’s zijn. “‘Cloud computing’ als realiteit en risico” verder lezen

De morele dilemma’s van het artsenverzet

Het was druk, de afgelopen weken. Dat heeft me verhinderd om deze blog aan te vullen. Dat wil niet zeggen dat er niet gelezen is, maar het tempo was wel aanzienlijk lager. Waaraan ik in deze post aandacht wil schenken is het artsenverzet in de Tweede Wereldoorlog, een van de thema’s waarmee ik mij de afgelopen tijd heb bezig gehouden. Ik doe dat op basis van het op 3 meil jl. verschenen boek Witte Jassen en Bruinhemden. Nederlandse artsen in de Tweede Wereldoorlog. En alsof die titel nog niet voldoende is, hebben de samenstellers van de bundel er nog een subtitel aan toegevoegd: Bijzondere getuigenissen van artsen en geneeskundestudenten, 1940-1945. Om het helemaal af te maken is er ook nog een sub-sub-titel: Interviews, foto’s en documenten over morele dilemma’s, angstige confrontaties en, vooral, gewetensvolle zorg in bezettingstijd. Een hele mondvol. Het boek is geschreven en geproduceerd door de redactie van het tijdschrift Medisch Contact, een podium waarop artsen met elkaar en met anderen in en rond de gezondheidszorg van gedachten kunnen wisselen. De titels geven aan waar het boek over gaat: verhalen van ooggetuigen, artsen die als student of beginnend arts de bezettingsjaren hebben meegemaakt. Daarnaast is het nodige speurwerk verricht om hun ervaringen in de juiste context te plaatsen. “De morele dilemma’s van het artsenverzet” verder lezen